Ooit was Zeeland de Europoort van Gallië

Veel wijst erop dat Zeeland in de Romeinse tijd één van de gateways van Europa moet zijn geweest. Rondom de monding van de Schelde vond niet alleen doorvoer en handel, maar ook productie plaats. Waarschijnlijk lagen bij Domburg en Westerschouwen belangrijke nederzettingen met haven- en handelsfaciliteiten. Jammer genoeg rust veel daarvan nu op de bodem van de Noordzee en Oosterschelde.

 

In de late IJzertijd en in de Romeinse tijd was Zeeland niet het deltagebied zoals we dat nu kennen. Het Zeeuwse landschap, een bosrijk en moerassig veengebied met een kustzone van brede strandwalgordels en lage duinen, was onderdeel van een aaneengesloten gebied langs de Nederlandse en Vlaamse kust. Het Zeeuwse was onderdeel van een gebied dat natuurlijk begrensd werd door de Rijn en de Maas in het noorden en de Schelde in Vlaanderen. De Zeeuwse wateren waren er nog niet. De Westerschelde was nog niet meer dan een inbraak in de strandwalgordel.

Wat wél bestond was de Schelde met een loop die ruwweg overeenkwam met de Oosterschelde van nu. Ruwweg, want de noord- en zuidoever waren gesitueerd waar nu respectievelijk Roggenplaat en de Schaar van Colijnsplaat liggen. Verder lag ook de kust meer westwaarts, in ieder geval ruim verder dan de huidige duinen. Waarschijnlijk, maar veel aanwijzingen daarvoor zijn er niet, zullen de eerste bewoners in de IJzertijd zich hebben gevestigd op de strandwallen en hebben zij het veengebied van daaruit in gebruik genomen.

Briquetage

Gemengd boerenbedrijf met akkerbouw en veeteelt, dat moet de bewoningsvorm in deze tijd zijn geweest, zegt provinciaal archeoloog Robert van Dierendonck. “De meest bekende nederzetting die we kennen in Schouwen-Duiveland is die in Haamstede-Brabers.

Globale schets van Nederland in de Romeinse tijd met ingetekend enkele versterkingen aan de rijksgrens Rijn en Maas en aan de kust. Volgens de laatste inzichten moet de Scheldemonding een economisch belangrijke regio zijn geweest met een Romeins castellum op elke oever. Zij beschermden de belangrijke nederzettingen en havens die bij Domburg en Westerschouwen tot ontwikkeling kwamen. Domburg bestond waarschijnlijk al vanaf de eerste eeuw na Christus. De andere nederzetting, Ganuenta, ontwikkelde zich pas vanaf de tweede eeuw.

Globale schets van Nederland in de Romeinse tijd met ingetekend enkele versterkingen aan de rijksgrens Rijn en Maas en aan de kust. Volgens de laatste inzichten moet de Scheldemonding een economisch belangrijke regio zijn geweest met een Romeins castellum op elke oever. Zij beschermden de belangrijke nederzettingen en havens die bij Domburg en Westerschouwen tot ontwikkeling kwamen. Domburg bestond waarschijnlijk al vanaf de eerste eeuw na Christus. De andere nederzetting, Ganuenta, ontwikkelde zich pas vanaf de tweede eeuw.

Hier is in de jaren vijftig op een oude strandwal een deel van een plattegrond van een boerderij uit de pre-Romeinse late IJzertijd gevonden. Uit beperkte vondsten weten we echter ook dat in de hele kuststreek zoutproductie moet hebben plaatsgevonden. Dat weten we door gevonden briquetagemateriaal, materiaal dat de potten overeind hield waarin de pekel werd verdampt. In Zeeland, maar vooral bij De Panne in Vlaanderen, zijn daar veel vondsten van gedaan.”

‘Deportatie’

Deze economie, gebaseerd op agrarische productie en voor een klein deel zoutproductie, zette zich voort toen de Romeinen hun grondgebied naar het noorden uitbreidden en Caesar zijn veldtochten begon. Die Gallische oorlogen van 58 tot 52 vóór Christus moeten het leven van bewoners van Midden- en Noordwest Europa behoorlijk hebben ontwricht. Met de vele tientallen grote en kleine Gallische en Germaanse stammen hebben de Romeinse legioenen een bloedige strijd geleverd. Soms waren de slachtingen zo groot dat volkeren letterlijk van de aardbodem verdwenen. Dat was bijvoorbeeld het lot van een groot volk als de Eburones. Van hen en van hun stamgebied is na de veldtochten niets meer bekend.

Wat betekenen deze oorlogen nu voor de kaart van Gallia Belgica en Germania? Uit Caesars ‘Commentarii de bello Gallico’ weten we al van het bestaan van volkeren als de Morini en de Menapii die boven Amiens, in de Franse, Vlaamse en Nederlandse kustgebieden tot aan de Rijn, woonden. Deze volkeren krijgen na de oorlogen nieuwe buren. Het was een bewuste politiek van de Romeinen om de gebieden die door de oorlogen leeg en verlaten waren, weer te bevolken met ‘gedeporteerde’ stammen.

Zo zijn bijvoorbeeld de Bataven, afkomstig uit het Duitse Hessen, in het Nederlandse rivierengebied overgeplaatst. Voor de Romeinen ontstonden zo militair belangrijke buffers in het grensgebied. “Van de Romeinse geleerde Plinius begrijpen we dat nieuwe volkeren als de Marsaci, Sturii en Frisiavones zich in deze gebieden ten zuiden en westen van Rijn en Maas komen vestigen. Waarschijnlijk is de toenmalige Schelde de harde grens geworden tussen het gebied van de Menapii in het zuiden en vermoedelijk de Frisiavones ten noorden daarvan. Naar we aannemen behoorde het gebied waar Schouwen-Duiveland nu ligt tot het stamgebied van de Frisiavones.”

Gewild product

Ondanks het zekere feit dat de Romeinen hier zijn geweest, zijn de lage landen voor Caesar maar van marginale betekenis geweest, denkt Van Dierendonck. “Het gebied is waarschijnlijk alleen uit veiligheidsoverwegingen gekoloniseerd. Er zijn in ieder geval geen aanwijzingen voor een stevige inplanting van het Romeins bestuur in dit gebied. De vondsten bevestigen dat: uit de tijd van Caesar treffen we tot nu toe vooral in het noorden van Frankrijk vondsten aan.”

Als onder keizer Augustus de grenzen van het Romeinse rijk hun definitieve vorm krijgen en de gebieden van de Frisiavones en van de Menapii zich tot bestuursgebieden van het rijk (civitates) hebben gevormd, is er weer een relatieve rust in deze contreien. Het lijkt de aanzet te zijn voor een voorzichtige ontwikkeling van handel en bedrijvigheid.

Van Dierendonck: “Naast de gewone agrarisch productie, begint zich in Vlaanderen en in Zeeland een productie te ontwikkelen die aan de zee gerelateerd is en sterk in verband staat met zout. Voor de Romeinen, en vooral voor het Romeinse leger was zout een zeer gewild en belangrijk product. Het was het belangrijkste middel om o.a. vlees te conserveren. Het belang blijkt ook uit het feit dat er mee werd betaald, vooral aan de soldaten: ons woord salaris is afgeleid van het Latijnse woord voor zout, nl. sal.”

Zoutambtenaar

Volgens Van Dierendonck is er voldoende reden om aan te nemen dat er aan het eind van de eerste eeuw na Christus in onze gebieden sprake moet zijn geweest van zoutproductie en handel op enige schaal. Dat blijkt onder meer uit inscripties die in Rimini in Italië gevonden zijn en die melding maken van salinatores van de Menapii en de Morini. Enige tijd geleden heeft een studie een ander licht geworpen op de betekenis van het woord salinator. “Aangenomen is steeds, en zo werd het ook altijd vertaald, dat een salinator een zoutzieder ofwel zoutproducent was. Op grond van nieuwe inzichten nemen we nu echter aan dat dit een zoutambtenaar moet zijn geweest. Een functionaris die op hoog niveau toezicht houdt op de aanvulling van de zoutvoorraden. Deze salinator administreerde wat het leger nodig had, zorgde voor de aanvoer en centrale opslag en maakte waarschijnlijk ook uit welk deel van de zoutproductie vrijgegeven kon worden aan de handel.”

Munten

Dat er belangrijke economische activiteit was aan de kust en in de monding van de Schelde blijkt ook uit de grote hoeveelheid Romeinse munten die op het strand en in de duinen van Westerschouwen gevonden zijn. Door onder meer die vondsten gaan archeologen ervan uit dat hier een grote nederzetting met een centrale functie moet hebben gelegen. Concrete sporen zijn niet gevonden en nader onderzoek is bijna niet mogelijk omdat de plaatsen waar die bewoning zich heeft bevonden in de Noordzee en de Oosterschelde liggen.

Castellum Roompot

De bodem in de Oosterschelde herbergt waarschijnlijk ook een ander geheim. De aanwijzingen zijn schaars, maar op grond van nieuwe visies houden archeologen het nu bijna voor zeker dat ten zuidoosten van deze burgerlijke nederzetting, nu dus in de monding van de huidige Oosterschelde en ter hoogte van het voormalige werkeiland Roggenplaat, het castellum Roompot moet hebben gelegen. “Die zeer aannemelijke locatie danken we aan het onderzoek van de amateur-archeoloog Frans Beekman. Tot nu toe werd altijd aangenomen dat het castellum -waar maar een enkele historische verwijzing voor is- aan de noordkant van Walcheren heeft gelegen. Overtuigend heeft Beekman beargumenteerd dat de versterking niet daar maar op het eiland Roggenplaat heeft gelegen en wel op de noordoever van de Romeinse Schelde. Zou je het castellum van de Roompot op de zuidoever van de Schelde postuleren, dan zijn er twee militaire versterkingen op de zuidoever en géén op de noordoever. Dat is onlogisch en strookt niet met het concept van verdedigen dat de Romeinen hebben gehad.”

Waarschijnlijk beschermden de Romeinen de handel en transport op Engeland, de Gallische kust en de nederzetting bij Westerschouwen ook vanuit een andere versterking zegt Van Dierendonck. “Ook in de omgeving van Domburg, voor de kust van Oostkapelle-Oranjezon moet er militaire aanwezigheid zijn geweest, waarschijnlijk een vlootstation. Daar is op het strand een grote hoeveelheid dakpanfragmenten gevonden met het stempel CGPF. Deze afkorting staat voor Classis Germanica Pia Fidelis. Dit was de aanhankelijke en getrouwe vloot van Germanië die haar hoofdbasis bij Keulen had en mogelijk dus met een onderdeel ook hier heeft gelegen.”

Regionale productie

De belangrijkste bron die de toenemende handel en bedrijvigheid aantonen, zijn de monumentale altaarvondsten die in de zeventiger jaren bij Colijnsplaat zijn opgevist. De altaren – zo’n 330 waarvan een derde nagenoeg compleet – behoorden tot een tempel, gewijd aan Nehalennia, de Romeinse godin die handel en scheepvaart beschermt. Van Dierendonck vindt het opmerkelijk dat nergens anders zulke monumentale vondsten van deze godin zijn gedaan als hier in Zeeland, in Domburg en Colijnsplaat. Op basis van inscripties en afbeeldingen op de altaren is volgens hem te rechtvaardigen dat deze plaatsen in ieder geval doorvoerhaven en overslagplaats moeten zijn geweest.

Maar het verhaal is daarmee nog niet af. “Uit recent onderzoek blijkt dat de handelaren die de godin met een altaar eerden, hun handelsproducten voor een groot deel ook uit de regio zelf betrokken moeten hebben. Daarmee moeten deze havens ook een functie hebben gehad als uitvalshavens voor productie uit de eigen, directe omgeving. Er zijn voldoende aanwijzingen dat hier zout en vissaus zijn geproduceerd. Daarnaast is pas geleden ook gebleken dat in de omgeving van West-Brabant en Bergen op Zoom een aanzienlijke aardewerkproductie heeft plaatsgevonden. Ook dit aardewerk kan via beide havens verspreid zijn naar de wijdere regio’s langs de zuidelijke Noordzeekusten en mogelijk ook het binnenland. Zo beschouwd is de regionale productie mogelijk zelfs te zien als stimulans voor de ontwikkeling en bloei van de beide handelsnederzettingen. Hoe dan ook benadrukken beide tempelsites het belang van het gebied als ‘gateway’ tussen het Rijnland, Britannia, Noord- en Zuid-Gallië.”

 

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.koersopzeeland.nl/ooit-was-zeeland-de-europoort-van-gallie/

Geef een reactie

Your email address will not be published.