«

Bericht afdrukken

‘Hoogaarzen bouwen, zo lang dat maar kan!’

Ze werden gebouwd aan de Hollandse IJssel en Lek, maar rolden ook in Zierikzee en Bruinisse van de helling. Over die kleine en grotere werfjes van de familie, heeft Hans van Duivendijk een omvattende publicatie geschreven.

 

Bij kleine scheepswerven bestond vroeger eenzelfde praktijk als op een boerderij. Slechts één zoon nam het bedrijf over. Anderen restte niets anders dan uit te wijken en elders een scheepswerf te beginnen of over te nemen. Het verklaart waarom een familie van scheepmakers als die van Van Duivendijk in de afgelopen eeuwen is uitgewaaierd langs de oevers van de Zuidhollandse wateren en verder, zegt Hans van Duivendijk. “Vaak zocht en kocht een van mijn voorvaderen elders een scheepswerf voor een van zijn zonen. Op deze manier is de tak van mijn vader van de Puttershoek naar Zierikzee gekomen.”

Hans van Duivendijk bij de Havendijk in Bruinisse. Links het loodsje waarin zijn grootvader Pieter van Duivendijk Dzn hoogaarzen bouwde

In Lekkerkerk staat de wieg van de scheepbouwende familie van Van Duivendijk. Daar huurde  Jan van Duivendijk rond 1735 de eerste scheepswerf. Na die scheepswerf zouden er in de negen generaties daarna zo’n vijfendertig scheepswerven volgen.  “In die tijd was het bijna vanzelfsprekend dat zonen hun vader in het beroep opvolgden. Ze leerden het vak op de werf en bleven, generatie na generatie, op een scheepswerf werken. Bijna allen worden ze scheepmaker, scheepbouwer, scheepstimmerman, scheepsijzerwerker of scheepsbouwmeester.”

 Uitzwermen

Uit zijn vijfjarig onderzoek is de olievlekwerking van werfjes langs de oever van de Hollandse IJssel, de Krimpenerwaard en verder mooi te volgen. We komen werfjes tegen in onder meer Ouderkerk, Krimpen aan de IJssel, Gouderak,  Stolwijkersluis, Haastrecht, Rotterdam, Puttershoek en later dus ook in Zeeland. “Het aardige is dat bij het uitzwermen elke Van Duivendijk zich opnieuw aan dezelfde oever vestigt. Iedereen blijft in de streek die hem vertrouwd is en lange tijd steekt niemand de rivier over. Op enig moment gebeurt dat dan toch. Op die manier zijn drie zonen van een van mijn voorouders uit Puttershoek in Brabant en Zeeland terecht gekomen. Zij en de generatie na hun verwierven scheepswerven in Tholen, Willemstad, Geertruidenberg, Bruinisse en Zierikzee.”

De haven langs de Scheepstimmerdijk met links bij de zwarte loods 'De kleine Werf'

Het is vanaf het midden van de negentiende eeuw dat de familie Van Duivendijk ook scheepswerven op Schouwen-Duiveland in eigendom krijgt. Een en ander start bij Johannes van Duivendijk die uit Puttershoek komt en in 1856 bij de Noordhavenpoort “De Kleine Werf’ koopt, een werf die van scheepsbouwmeester Jacobus Striekaert is geweest. Toen een van zijn opvolgers in 1894 overleed en er geen zonen waren om het bezit aan over te doen, is deze werf stil komen te liggen. Toch betekende dat niet het einde van de familie-activiteiten op het eiland, zegt Hans van Duivendijk. “Een jaar eerder, in 1893, kocht mijn grootvader Pieter Dzn van Duivendijk, een werf op Bruinisse. Die bestaat nog steeds en wordt nu geleid door de kleinzonen van mijn oom. Op het eiland was in die tijd ook een derde werf die het echter al snel minder goed verging. Die lag tegenover de Commerciewerf bij het Sas en werd door mijn vader in 1921 gekocht. Tot slot –en dat is ruim na de oorlog- heeft Dirk Lzn van Duivendijk nog een vierde werf gehad. Dat was een jachtwerf op Bruinisse in de periode tussen 1964 en 1997.”

 Straatarme vissers

Vissersboten werden in die tijd op basis van huurkoop gekocht. De schuld die vissers hadden, losten ze in kleine bedragen af en deden daar doorgaans jaren over. Het innen van die schuld was een groot probleem omdat gezinnen doorgaans straatarm waren. In zijn boek illustreert Van Duivendijk dat aan de hand van het faillissement van zijn grootvader in 1908. Deze Pieter heeft in de vijftien jaar dat zijn werf bestond zo’n dertien hoogaarzen en andere schepen gebouwd. Hoogst merkwaardig vindt Hans van Duivendijk het daarom dat er bij het faillissement wel een kolossaal bedrag aan schulden bij leveranciers blijkt te zijn, maar amper vorderingen bij schippers. “Zelf vermoed ik dat de curator geen zin had om de afwikkeling van dit faillissement te rekken en eindeloos achter debiteuren (lees: arme vissers) aan te jagen om eventueel nog wat geld voor de schuldeisers te kunnen verzamelen. Maar misschien heeft Pieter ook wel geen opgave van debiteuren verstrekt omdat hij wist dat er niets te halen was.”

Armlastig

Op de werfjes van de familie Van Duivendijk op Schouwen-Duiveland werkten steeds maar enkele mensen, de werfeigenaar incluis. Zij hadden het vak in de praktijk geleerd en bouwden bijna uitsluitend schepen voor vissers die even armlastig waren als de werfeigenaar zelf. Wie bedrijfjes met zo’n clientèle wilde laten functioneren, moest zelf vaak heel wat offertjes brengen. Van Duivendijk herinnert zich dat zijn moeder wakker kon liggen wanneer de knecht van vader zijn loon had ontvangen. “Voor het eigen gezin betekende dat meteen dat er geen geld meer was. Mijn moeder wist dan niet hoe ze rond moest komen.”

Naast financiële zorg overkwam de werfjes ook rampspoed in de zin van een storm die de werf, hellingen, loodsen en boten kon vernielen zoals in 1911. Soms kwam zo’n tegenslag in de vorm van brand of van ziekten die de schelpdiervisserij trof. Zo’n ziekte trof de visserij direct en had tot gevolg dat reparaties niet meer gedaan werden of uitgesteld en dat boten niet meer werden gekocht. Wat de hele scheepbouwsector op het eiland sluipenderwijs bedreigde en waar de meeste werven geen antwoord op hebben gehad, was een ontwikkeling die eind negentiende eeuw inzette en landelijk veel werfjes de kop heeft gekost: de omschakeling van een scheepsbouw in hout naar een scheepsbouw in ijzer en staal.

 Hoogaarzen en hengsten

De werfjes op Schouwen-Duiveland bouwden en repareerden houten schepen voor de visserij. Zo lang daar een dunne boterham mee te verdienen was, werd dat werk gedaan. Voor een majeure overgang van een scheepsbouw van hout op ijzer waren deze werfjes toch een maatje te klein. Veel werven, en zeker die in Zeeland, waren te klein en er was amper kapitaal of know how om die overgang te kunnen maken. Tussen de familiewerven in Zuid-Holland en die in Zeeland ontstaat zo een wig. Waar aan de Hollandse IJssel of Lek met zijn havens en bedrijvigheid al in de laatste decennia van de negentiende eeuw de ijzeren tjalken, rijnaken, boeiers en klippers van de helling komen, richtten de werven op Zierikzee en Bruinisse zich nog lang, heel lang, op de bouw en/of reparatie  van houten hoogaarzen en hengsten.

De grootvader van Hans van Duivendijk bouwde de schepen binnendijks. Op de twee hellingen buitendijks deed hij de reparaties. Voor die nieuwbouw binnendijks was een reden. Binnendijks konden schepen bij slecht weer niet wegdrijven. Tegelijkertijd bleef er buitendijks altijd een helling vrij voor schepen die gerepareerd moesten worden. Was een nieuw schip klaar, zoals deze Hoogaars, de BRU 42, dan werd deze over de dijk getrokken. Voor dat karwei waren acht man nodig.

 

Op ‘De Kleine Werf’ bij de Noordhavenpoort zullen Johannes van Duivendijk en diens zoon Pieter het hoofd nog niet hebben gebroken over het bouwen in ijzer en staal. Zij voerden reparaties uit op hun werf en lieten in de periode 1856 tot 1894 een boeier, een boeijerschuit en zo’n twintig hoogaarzen en roeiboten van de helling lopen. In de decennia daarna doen de andere werven van Van Duivendijk dat eveneens, maar ze krijgen wel wat last van de veranderingen. De opdrachten tot de bouw van houten schepen nemen af en daarmee is er ook minder reparatiewerk. Hans van Duivendijk weet niet anders of zijn vader deed alleen nog reparatiewerk en dat lukte alleen met veel moeite. “Dat hij het hoofd boven water heeft kunnen houden, dankte hij met name aan de toenmalig burgemeester Fokker. Behalve burgemeester was Fokker ook voorzitter van het waterschap en voorzitter van het bestuur der visserijen. In die functies speelde hij mijn vader opdrachten toe zoals reparaties aan de sluizen. Maar het mocht niet baten want in 1929 moest mijn vader het opgeven en  woonhuis, loodsen en helling verkopen.”

 Over op ‘staal’

De liquidatie  van de Van Duivendijk scheepswerf aan het Sas markeert het einde van de scheepsbouw in Zierikzee. Toch blijft de familienaam verbonden aan de scheepsbouwsector op Schouwen-Duiveland. Dat komt door de werf in Bruinisse waar Pieter Dzn in 1893 eigenaar van werd en die na veel tegenslag en een faillissement in 1908 werd voortgezet door zijn oudste zoon Dirk. Onder Dirk en diens zonen worden tot de oorlog nog steeds hoogaarzen en andere houten vissersschepen gerepareerd. Het is pas na de oorlog dat Dirk op zijn werf overgaat op ‘staal’.

Die overgang is niet van harte gegaan, zegt Hans van Duivendijk. “De drijvende kracht achter die omslag was de visserijvereniging van Bruinisse. Die hebben Dirk Pzn gevraagd om reparaties, ombouw en onderhoud van stalen schepen mogelijk te maken opdat schepen daarvoor niet naar andere werven buiten Bruinisse hoefden uit te wijken.” De ‘smeekbede’ om de werf te moderniseren en te innoveren had effect want de vier zonen van Dirk kwamen tot inkeer en hebben zich laten bijscholen. Ze leerden elektrisch en autogeen lassen legden zich daarna toe op de reparatie van ijzeren schepen. “Een en ander kreeg zijn bekroning in januari 1950. Toen lag voor het eerst een ijzeren schip, de BRU 17 voor reparatie op de werf.”

Foto’s:

Gemeente-archief Schouwen-Duiveland

Hans van Duivendijk

‘Het liefst eigen baas. De scheepswerven van de familie Van Duivendijk’ (Nijmegen, mei 2016, 320 p.) is in eigen beheer en zonder externe financiering of subsidies uitgegeven door ir. Hans van Duivendijk. Voor meer informatie kan contact opgenomen worden met de auteur, Adrianaweg 21, 6523 MV Nijmegen of via hans@vanduivendijk.nl

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.koersopzeeland.nl/hoogaarzen-bouwen-zo-lang-dat-maar-kan/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *