«

»

Bericht afdrukken

Geen zinkstuk, dan ook geen dijk!

Heel Nederland rust op matten van wilgenhout: de tweede Maasvlakte en ook de caissons in de dijken van Schouwen-Duiveland. Het afzinken van die matten was een werk van precisie waarbij alle ogen voortdurend zijn gericht op een persoon: de zinkbaas.

 

“Ach mijnheer, zonder rijswerkers was Holland al lang weggedreven.” Een uitspraak die Gerrit Visser deed toen hij aan het einde van de oorlog met ingenieurs van Rijkswaterstaat bij Westkapelle op de dijk stond. De meest bekende rijswerker uit Werkendam wist waar hij over sprak en zei geen woord te veel.

De rijswerker bezig aan een zinkstuk.

De Zeeuwse en Hollandse kust hebben een zanderige bodem die door stroming en getij voortdurend in beweging is. Op zo’n bodem blijft alleen maar iets liggen, wanneer het vastgehouden wordt. En sinds mensenheugenis zijn dat de gevlochten matten van wilgenhout uit de Biesbosch. Deze matten blijven op hun plek omdat ze direct na het afzinken worden verzwaard met stortsteen. Alles wat in Nederland in de rivier of in zee is opgetrokken, heeft zo’n fundament. Het geldt bijvoorbeeld voor de Afsluitdijk, maar ook nu bij de aanleg van de tweede Maasvlakte. Ook het dichten van de dijken op Schouwen-Duiveland na de Ramp was niet mogelijk zonder gebruik van de aloude handgevlochten rijshouten mat.

Stroomgaten

Na de Ramp van 1 februari 1953 wachtte de rijswerkers op Schouwen-Duiveland een enorme opgave. Door de springvloed was hier zo’n 16.000 van de totale oppervlakte van bijna 20.000 hectare land overstroomd. Alleen de hoge duingronden van westelijk Schouwen en de polders rondom Noordgouwe en Zonnemaire bleken goeddeels aan het natuurgeweld te zijn ontsnapt.

In totaal had de springvloed die nacht zo’n vijftigtal doorbraken in de zeedijk geslagen. Daarvan waren vooral de doorbraken bij Burghsluis, Oosterland, Sirjansland, Zierikzee en Stevensluis zeer omvangrijk. De gaten bij Schelphoek en Ouwerkerk spanden de kroon. Zo was bij de Schelphoek 450 meter zeedijk weggeslagen. Door dat gat van 30 meter diep stroomde per getij zo’n 130 miljoen kubieke meter water. In de zeewering van Ouwerkerk waren eveneens grote gaten geslagen, één van 100 en één van 200 meter. Door de geulen die daar zo’n 20 meter diep waren, stroomde per getij zo’n 40 miljoen kubieke meter water.

Zinkstukken

Het nieuws van de Ramp leidde bijna direct tot een algehele mobilisatie in Werkendam. Er ontstond een enorme vraag naar rijswerkers en die woonden generatie op generatie in Werkendam. Iedereen die zijn vak verstond, werd door aannemers opgetrommeld om naar Zeeland te gaan om daar te helpen bij het herstel. Die hulp kwam er in de vorm van rijswerkers, putbazen, zinkbazen en stortbazen.

Op de zate, een plek aan de wal in de buurt van de dijkdoorbraak, vlochten de rijswerkers uit wilgenhout het rijswerk dat als fundament voor de caissons moest gaan dienen. De gevlochten matten bestonden uit een onder- en bovenrooster die met elkaar waren vervlochten. Het belangrijkste onderdeel van zo’n rooster waren de zogenaamde wiepen, bundels rijshout die door de rijswerkers tot lange dikke ‘worsten’ werden gebundeld. Zij vormden het geraamte waarop de rijswerkers het rijshout kruiselings aanbrachten. Was het zinkwerk klaar, dan duwden boten het zinkstuk naar de plek waar het afgezonken moest worden. Soms, zoals bij de Schelphoek en Ouwerkerk, hadden die zinkstukken enorme afmetingen van wel veertig bij tachtig meter.

Zwijgzaam

Er is geen mooiere ode aan de rijswerkers en aan het leven van één van hen, zinkbaas Gerrit Visser, dan het boek ‘Het verjaagde water’ van A. Den Doolaard. In een van de hoofdstukken beschrijft hij de spanning van de zinkbaas bij het afzinken van het zinkstuk en het vakmanschap waarmee dat gebeuren moest. Rijswerkers deden zwaar en gevaarlijk werk. Maar de stress was er vooral voor degene die verantwoordelijk was voor het afzinken van het stuk. Zinkstukken vertegenwoordigden in die tijd veel geld. In het boek van Den Doolaard waarin Gerrit Visser de naam Klaas Otterkop krijgt, wordt gerept over een bedrag dat gelijk stond aan vier jaarsalarissen van een zinkbaas. Ging het afzinken fout, en dat gebeurde wel eens, dan was dat een behoorlijke verliespost voor het bedrijf.

Dat gevoelig besef, zo zeggen velen die hem hebben gekend, verklaarde de zwijgzaamheid en geslotenheid van Gerrit Visser op de momenten waarop het afzinken zich aankondigde. Gerrit Visser was dan niet meer bereikbaar. Of zoals Den Doolaard het verwoordt: “Hij duwde dan de hele wereld van zich af, tot er maar drie dingen over waren: het getij, het zinkstuk en zijn eigen ogen.”

Wilgenhout: sterk en buigzaam

Alhoewel er vandaag ook zinkstukken met textiel worden gemaakt, grijpen waterbouwkundigen graag terug op de klassieke matten van wilgenhout. Wilgenhout is stevig, buigzaam en heeft een goed drijfvermogen. Vooral in open water met golfslag is dat een voordeel omdat het niet gemakkelijk breekt of scheurt wanneer het er ruig aan toegaat. Bij het herstel van de dijken was dat een groot voordeel omdat boten de zinkstukken vanuit de zaten naar hun plaats konden duwen. Dat waren forse stukken van soms wel tachtig meter lang.

Op de plaats waar het komen moet, wordt het zinkstuk met stortsteen verzwaard.

Verklikker

In het stroomgat begon het spannende moment van het wachten op dood tij, dat ene moment, dat luttel aantal seconden waarop eb en vloed in evenwicht waren en er dus de beste kansen waren dat het zinkstuk recht naar beneden zou afzinken. Werd er te lang gewacht, dan liep er in de diepte misschien al een ebstroom die het zinkende stuk mee zou kunnen rukken of omwippen. Het bepalen van het juiste moment was dus uiterst belangrijk. Het hing volledig van het vermogen van de zinkbaas af of dat moment juist gekozen werd. Deze opgave werd lastiger naarmate het dijkherstel vorderde, het stroomgat kleiner werd en de stroming dus sterker. De zinkbaas moest het moment dan nog scherper kiezen.

In deze situatie moest de zinkbaas volledig afgaan op eigen kennis en ervaring. Op die momenten was het bij het zinkwerk en op de boten met stortsteen ijzig stil. Iedereen keek naar de zinkbaas. Deze tuurde naar een zogenaamde verklikker, een dun touw met een zware steen eraan. Zo lang het nog vloed was, wuifde het touw wat heen en weer. Maar alleen op zicht ging de zinkbaas niet af. Of er nog stroom in de diepte was en welke kracht deze had, dat kon hij alleen achterhalen door het touw wat op te halen en de spanning te voelen. Was het moment daar, dan werd er een salvo van bevelen gegeven en moest het zinkwerk met snelheid de diepte in.

Gestold vakmanschap

Gerrit Visser wordt herinnerd als een beminnelijk man en zinkbaas die goed voor zijn mensen was. Hij heeft de reputatie dat hij niet één zinkwerk verloren heeft laten gaan. Soms waren dat enorme stukken van een half voetbalveld groot. Alle kreeg hij ongeschonden naar een diepte van enkele tientallen meters. Die prestaties bezorgden hem naam en faam, in Werkendam, in Zeeland, onder rijswerkers en onder ingenieurs van Rijkswaterstaat. Dat vakmanschap was het vakmanschap van de rijswerkers uit Werkendam. Maar het was ook het gestolde vakmanschap van een familie. Vader en grootvader Visser waren zinkbaas en in het grote gezin van dertien kinderen ook zijn broers Arie, Cornelis en Arnoldus. Allen waren met het water opgegroeid en kenden de kracht ervan.

Ouwerkerk (1953). Op de voorgrond in het water een zinkstuk. Op de wal rijshout dat werd gebruikt bij het maken van zinkstukken.

Vanwege die bijzondere overlevering in de familie grijpen we nog één keer naar Den Doolaard en wel naar een passage waarop de doodsbange Klaas Otterkop zijn vader vraagt of hij die dag het zinkstuk niet te vroeg heeft laten gaan. Zijn vader antwoordt: “Wat je me nou vraagt, Klaas, heb ik precies zo aan jouw grootvader gevraagd, toen ik jouw leeftijd had. Maar maak je niet ongerust, het voelen komt met de jaren. Je hebt gelijk, er liep nog vloed, maar alleen boven. In de diepte voelde ik de eb al trekken, zachtjes maar, niet harder dan… dan je kleine zusje daar in de wieg. Maar dat is nou juist het water: zo is het klein, en een minuut later is het groot. Zo leit het in de wieg; zo draaft het als een paard. Er is niets sterker dan het water jongen; je kan het alleen maar aan als het klein is.”

Bronnen: A. Den Doolaard, Het verjaagde water; Contactblad voor de werkers aan de dijkdichting van Schouwen-Duiveland; Historische Vereniging Werkendam.

Enkele feiten bij het dijkherstel:

Er werden 5 miljoen bossen rijshout gekapt, vervoerd en verwerkt in zinkstukken. In totaal is zo’n 620.000 ton stortsteen bij het afzinken gebruikt en zijn er 403 kleinere en 5 grote Phoenix-caissons in de zeewering geplaatst. Aan zinkwerk is in totaal een oppervlakte gemaakt van zo’n 65 hectare (650.000 vierkante meter)

Eerder verschenen in Tijdschrift Schouwen-Duiveland, december 2007

Foto’s: Gemeentearchief Schouwen-Duiveland

 

Permanente koppeling naar dit artikel: http://www.koersopzeeland.nl/geen-zinkstuk-dan-ook-geen-dijk/

2 reacties

  1. catharina

    Bijzonder om over zinkbaas Gerrit visser te lezen, ik ben zijn achterkleindochter, en heb al veel verhalen over opa Gerrit gehoord. Alleen kon hij de naam Klaas den otterkop niet zo waarderen….

  2. Kees

    Een mooi stukje over ome Gerrit Visser. Ik heb begrepen dat hij het niet was die problemen had met de naam Otterkop , maar de familie. Dit is naar mijn bescheiden mening niet goed begrepen. In het jaar 2007 heb ik ook een stukje mogen schrijven over hem in het blad ”Effe Lustere” van de Historisch vereniging van Werkendam. Hij was een neef van m`n opa Versluis en is later getrouwd met een zuster van mijn oma Marigje Versluis- Schaddelee. Zodoende werden zwagers van elkaar. Een bijzonder man met bijzondere gaven waarop ik toch met enige trots op mag terug zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *